Niet omkijken

bike-812x203

Achter hem klinkt een doffe klap en dan een ijl hoog gillen. Jasper trekt in een reflex zijn schouders op en knijpt hard in zijn remmen. Nu staat hij stil op het fietspad. Als hij over zijn schouder kijkt ziet hij op straat iemand liggen. Een vrouw in een  kleurige jurk rent erheen. Alsof het om een scene in een film gaat, staart Jasper naar het tafereel.  Als de vrouw hulp zoekend om zich heen kijkt, zet hij zijn fiets tegen de dichtstbijzijnde lantaarnpaal, doet ‘m op slot en begeeft zich naar het ongeluk. Bizar hoe je toch altijd je routines blijft houden. Zijn fiets op slot zetten is hij nog nooit vergeten. Was het niet Aristoteles die beweerde dat we dát zijn wat we bij herhaling doen?
‘Help alsjeblieft! Het gaat niet goed met haar.’ De vrouw kijkt hem doortastend aan.
‘Wat kan ik doen?’ Voorzichtig zoeken Jaspers ogen naar de persoon op de grond. Een jonge vrouw ligt op het asfalt als een grote lappenpop die door een reuzenkind is achtergelaten. Jasper laat zijn ogen gaan over de donkerrode zomerschoenen aan haar blote benen, de paarse jurk met een riem in hetzelfde rood als de schoenen, de canvas tas. Haar hoofd is afgewend, het golvende bruine haar glanst in de ochtendzon. ‘Wat is er gebeurd?’
‘Weet ik niet, maar bel zo snel mogelijk 112. Dit is niet goed.’ De vrouw legt haar jas over het meisje heen. ‘Ik hoorde een klap, toen een gil en een hard wegrijdende auto. Wat een schofterigheid!’
Jasper pakt zijn smartphone. Zijn handen trillen als hij het alarmnummer intoetst. Het meisje, de vrouw.….  Hij durft het niet te denken.

‘Wat zeiden ze bij de alarmcentrale?’ Bezorgd kijkt de vrouw Jasper aan.
‘Dat ze zo snel mogelijk komen, maar het kan wel vijf minuten duren.’ Jasper loopt om de bewegingloze jonge vrouw heen. Hij knielt bij haar neer. Vera. Hij wist het. Meteen al. Hij streelt haar haar. ‘Het komt goed, alles komt goed, Vera,’ fluistert hij.
De vrouw glimlacht treurig naar hem. ‘Ken je haar?’
‘Ja, ze was mijn vriendin. Vijf jaar geleden.’
Haar ogen verraden levenservaring. ‘Hield je van haar?  Was jij het of zij die er een einde aan maakte?’
Jasper aarzelt. Wie is zij dat ze me zulke intieme vragen stelt? ‘Ik was het die er een punt achter zette, maar ze is sindsdien nooit uit mijn gedachten geweest.’ Hij trekt zijn jack uit, vouwt die op en legt ‘m voorzichtig onder haar hoofd. Jasper voelt een ader in zijn hals kloppen bij het zien van een klontje mascara in haar wimpers. Wanneer had ze voor het laatst zo stil naast hem gelegen? In de verte klinkt een sirene. Als het geluid dichterbij komt realiseert hij zich dat de verwachte hulp in aantocht is. Hij blijft zitten, de vrouw staat op.
‘Kent een van u het slachtoffer?’ vraagt een vriendelijke man in ambulancepak.
‘Hij,’ zegt de vrouw beslist, wijzend naar Jasper. En tegen hem: ‘Volg je hart. Blijf trouw aan de liefde, aan de eerste ontmoeting!’ Ze duwt hem Vera’s tas in de handen. Ze roept nog iets, maar de sirenes overstemmen elk ander geluid.

Zijn tijd met Vera had hooguit zes weken geduurd, maar het leken zes jaren. Nooit was hij zo intens verliefd geweest als op haar,  zij met haar mooie haren, zij die slim en belezen was en die zo grappig uit de hoek kon komen. Zij met wie hij de zomer synchroonlezend had doorgebracht. Ze was naast hem komen zitten in het park en had Elementaire deeltjes van Houellebecq uit haar tas gehaald. Het boek dat ook hij zat te lezen. De broeierige en ongrijpbare inhoud van dat boek vloeide samen met de hitte van die zomer en de diepzinnige gesprekken. Wekenlang hadden ze elkaar elke avond gezien en tenslotte hadden ze samen de trein naar Berlijn genomen om daar twee nachten door te brengen. Het was een intiem verblijf geweest waarin ze minder van Berlijn en meer van de hotelkamer hadden gezien dan vooraf bedacht. Vera had hem ‘rafelig’ genoemd. Ze vond dat hij losse eindjes had in zijn ideeën en gevoelens naar mensen toe. Op de terugweg had ze gezegd dat ze nog nooit iemand had ontmoet waarbij ze zo zichzelf kon zijn. Hij had haar daarna nog één keer gezien en toen al het contact verbroken. Haar telefoontjes, sms-jes en brieven had hij genegeerd. Ze was te dichtbij gekomen. Zijn angst dat haar liefde op een dag zou omslaan in de drang hem van zijn plannen af te helpen, zoals hij zo goed kende van vroeger thuis, was als een ijsschots tussen hen ingedreven. Zijn zorgvuldig opgebouwde identiteit als filosoof zou hem dan voor niets een breuk met zijn afkeurende ouders hebben gekost.

‘Wat is haar naam?’ De dame bij de Eerste Hulp houdt hem tegen. Vera is op een brancard weggevoerd en achter klapdeuren verdwenen.
‘Vera van der Merwe.’
‘En jouw naam, jongeman?’
‘Jasper….’
‘Jasper hoe?’ Ze stopt met typen en kijkt hem medelijdend aan. ‘Ga eerst maar even zitten, dan haal ik een glaasje water. Dan vullen we de gegeven straks wel in.’
Jasper zinkt dankbaar op de harde bank in de wachtkamer. Met een zucht kijkt hij om zich heen. Welk idiote toeval heeft hem hier gebracht? Hij wil opstaan, weglopen, maar voelt zich moe. Is het verdriet of spijt dat bij hem naar binnen is gesijpeld? Hoe heeft hij Vera ooit kunnen laten gaan? Juist Vera, die hem bewonderde. Vera, die hem toch begreep? Zou ze ook hebben begrepen hoe bang hij was concessies te doen aan zijn zwaar bevochten droom, zijn hele wezen als filosoof? ‘Blijf trouw aan de liefde,’ had de vrouw gezegd. Volgens Schopenhauer bestaat de liefde niet, is ze een list van de natuur om te zorgen voor nageslacht.  Maar was hun liefde niet juist alles wat Freud en Plato ooit bij elkaar bedacht hadden, met alles erop en eraan?  Zou Vera herstellen van het ongeluk? En zou ze hem nog willen zien?
‘U mag over vijf minuten even bij haar kijken. Daarna gaan ze opereren.’ De dame van de Eerste Hulp zet het water neer en laat Jasper een slok drinken. ‘Ik kom u zo halen.’ Jasper zoekt zijn tas, maar vindt dan die van Vera.  Zijn verlangen om een glimp van haar leven op te vangen wint het van zijn discretie. Hij ritst de tas open. Tussen boeken en een notitieblok zit haar portemonnee. Een stoffen met ruitjes die hij nog kent van toen. Hij klapt de portemonnee open op zoek naar details over haar leven. In het vakje bestemd voor een visitekaartje zit een foto. Jasper staart naar het gezicht van zijn oude filosofie-professor. Bentheim, toch? Gerard Bentheim, Professor in de Filosofie, de bewonderde maar ook meest omstreden filosoof van dit moment. Een duizeling trekt door Jaspers hoofd en de warmte van het ziekenhuis werkt hem plotseling op zijn zenuwen. Zijn vingers zoeken verder naar een pasje of iets van houvast over haar. Een bibliotheekpas biedt wat hij niet wilde weten: ‘Vera Bentheim-Van der Merwe’. Mevrouw Bentheim. Jasper proeft de naam op zijn lippen. De geur van ontsmettingsmiddel dringt ineens tot diep in zijn neus en maakt hem misselijk. Hij kijkt om zich heen, grijpt nu zijn eigen tas en beent naar de uitgang. Frisse buitenlucht heeft hij nodig.
‘Jongeman! Ik heb uw naam nog niet genoteerd!’ klinkt het achter hem. Waar had hij zijn fiets ook alweer neergezet?

 

© Voline van Teeseling, 5 oktober 2015

Foto Pixabay/nguyenhuynhmai


0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *