Zout

ansjovis-200x800

Wieringen, juli 1909. Het is een goed ansjovisjaar. Jan is met zijn vader op de ansjoviszouterij afgekomen, zoals zovele jongens van het eiland. Eén gulden krijgt hij per dag voor het koppen van de ansjovis, het schoonmaken van de pekelvaten en het sjouwen met de ankers. Als vijftienjarige mag hij nog niet pekelen. Zijn vader mag het ook niet, omdat hij het niet goed doet volgens de opzichter. ‘Let goed op vader’, zei moeder vanmorgen tegen hem, zoals elke ochtend. Ja, hij let altijd goed op vader. Sinds de boerderij verkocht is trekt hij met hem van de ene plek naar de ander om wier te karren, zeegras te oogsten en vis te sjouwen. Soms verdienen ze goed, zoals hier op de zouterij, maar vaak is het maar vijftig cent per dag. Nog vaker gaat vader meteen na het werk naar het café en komt ’s avonds platzak en dronken thuis. Dan wordt het werken ook niet veel de volgende dag. Jan doet dan extra zijn best.

Het is één uur. Schaften. De vrouw van de eigenaar heeft dubbel roggebrood met spek uitgedeeld. Dat heb je niet vaak, dat je ook nog te eten krijgt. Op de steiger is hij neergestreken, met zijn rug naar de werf waar de vis wordt verwerkt. Hij doet zijn gebed en dankt de heer voor de spijzen op zijn schoot. Jan kijkt over het water, de Zuiderzee. Het is helder vandaag, de einder is ver. Op de dukdalf zit een zwarte kraai. Jan houdt niet van vogels. Vis is prima, maar aan vogels heb je niets. Meestal zijn hier alleen meeuwen, een zwarte kraai zie je zelden. Hij tuurt naar de zwarte vogel terwijl hij zijn laatste hap wegslikt. Als de kraai opvliegt beweegt het water bij de dukdalf. Het kolkt onrustig als bij een grote vis, maar in plaats van een vis volgt een draaiing. De draaiing wordt wilder en gaat over in een spits draaiende toren van water. Als hij zijn ogen spert ziet hij een vrouw. Een slanke vrouw in een hooggesloten jurk. Haar lange haar is opgestoken, haar taille is smal, haar handen zijn klein en breed. Als ze draait ziet hij een fijne neus en smalle lippen. Aan elke hand heeft ze een kind. Ze blijft daar staan in het kolkende water, komt niet naar hem toe, maar lijkt hem te vragen: ‘Wacht op mij, zorg voor mij’. Zij is hem bekend, maar toch ook weer niet. Hij voelt zichzelf één met haar, maar weet niet wie zij is. Hij durft niet met zijn ogen te knipperen uit angst haar uit het oog te verliezen.

‘Wat zit je te kaiken, jong?’. Jan draait zich om naar de opzichter aan het eind van de steiger. ‘Vort, an ’t wark’. Als Jan zijn blik weer naar het water richt is ze weg. De zee klotst alsof het nergens vanaf weet. Ja, aan het werk zal hij. Hij duwt zich overeind en met ferme stappen loopt hij op de pekelvaten af.

›—

Dit verhaal verscheen in de Alice/Schrijven Magazine van juni/juli 2016. Zie zout-in-alice-schrijven-magazine-03-2016. Het is pure fictie, maar wel geïnspireerd op notities in het opschrijfboekje van mijn grootvader Jan Jbz Pronk uit Wieringen uit 1909 en op de publicatie ‘Wieringen en de burgemeestersfamilie Peereboom’ door Marianne Peereboom, aangevuld en bewerkt door Kees vld Sluijs.

© Voline van Teeseling, 31 maart 2016

2 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *