Wolfswijzertje

linnean-flower-colck 85x350

Karel doet zijn ronde nog voordat de blauwe strobloem zich opent. De wilde cichorei heeft de rafelige blaadjes van zijn vaalblauwe bloemen dan al lang aan de wereld laten zien. Karel houdt van de cichorei, ook omdat die het meeste zijn eigen ritme volgt: open zodra de zon opkomt, dicht tijdens het middaguur. Toch is de gele morgenster een betere vriend. Als Karel ’s nachts de slaap niet kan vatten door de zomerse warmte, verwelkomt deze bloem hem vrijwel als enige al zo vroeg. Tragopogon pratensis, zo heet hij. Traag pratende, is Karels ezelsbruggetje voor de Latijnse naam, een bloem die begrijpt dat niemand zo vroeg ook maar iets zou willen zeggen.

De langste dag is voorbij, vier dagen alweer. De afgelopen jaren leek het of de zomer steeds langer wachtte met aangenaam te worden. Ook nu is het nog fris. De dauw ligt fonkelend op het gras en vormt een ragfijne sluier over de vrouwenmantel die nog heel even het spiegelende middelpunt vormt in de border. Karel heeft bewust gekozen voor dit uur en niet voor het vroege wolfsuur, dat moment waarop heksen, demonen en geesten van overledenen nog net niet vluchten voor de dageraad. Het uur waarop ook de barones, tot ze vorig jaar ziek werd, vaak in de tuin te vinden was en het uur waarin Karel en zij, struinend over het landgoed, door de jaren heen menig luguber verhaal hebben uitgewisseld. Die van haar waren altijd gruwelijker dan die van hem. Zij zag tekens van heksen, wees de sporen van onwaarschijnlijke wezens aan en kreeg boodschappen van ronddolende geesten. Hij voelde daarentegen alleen de aanwezigheid van een man, een schim die telkens als hij hem zag hem meer vertrouwd voorkwam en hem eerder geruststelde dan angst aanjoeg. Karel kon slechts zijn contouren, die een monnikachtig gewaad en een vormloos hoofddeksel deden vermoeden, onderscheiden. Het leek of deze verschijning er speciaal voor hém was en de demonen verdreef die de barones juist wilde ontmoeten. Karel voelde een kalmte en zekerheid in zich opkomen zodra de verschijning, altijd op gepaste afstand, opdoemde. Ja, deze man steunde hem en leek destijds ook het besluit aan te moedigen dat zijn levenswerk zou worden.

Daar is de plek. Karel blijft staan om het decor te aanschouwen. Rond het hem zo vertrouwde ronde bloemperk midden in het gazon, dat op zijn beurt weer het middelpunt vormt van het bescheiden landgoed, staan lange tafels opgesteld met stoelen er schuin tegenaan. De drie tafels vormen een licht geknikte lijn die de randen van de ronde perk, de bloemenklok, volgt. Ze lijken zo neergezet dat er een vakjury moet gaan plaatsnemen in plaats van het handjevol vrienden en familieleden van de inmiddels 91-jarige barones en de enkele botanisch specialist. Ze komen een toost uitbrengen op de vervolbrenging van Karels meesterwerk, het horlogium florae. Hij telt 21 stoelen, aan elke tafel 7. Karel grinnikt. De barones laat niets aan het toeval over. Alles komt samen de komende 24 uur. Het project móest en zou slagen, zodat zij het nog kon meemaken.

De Zweedse botanicus Carolus Linnaeus beschreef volgens de kenners zijn bloemenklok, zijn Horlogium florae in zijn publicatie Philosophia Botanica uit 1751. Het idee van een geordende aanplant van open en dichtgaande bloemen op specifieke tijden was wel door Linnaeus, ofwel Carl von Linné zoals de Zweden hem noemen, bedacht, maar nog door niemand ook daadwerkelijk uitgevoerd. Karel, die als jongen de flora al van buiten kende en zijn huiswerk liet lopen om planten, bloemen en bomen zo precies mogelijk in zijn schetsboek over te nemen, hoorde voor het eerst van het Horlogium florae toen hij Plantkunde ging studeren in Leiden. Sindsdien las hij alle werken van Carl Linnaeus, ook die in het Zweeds. Het kostte hem geen moeite zich de taal eigen te maken en toen hij het voldoende onder de knie had reisde Karel af naar Zweden met het dagboek van de Lapland-reis uit 1732 van Carl in zijn tas. Van ‘Carl’ inderdaad, die hij sindsdien als een weliswaar dode, maar toch goede vriend is gaan beschouwen en tijdens de reis is gaan tutoyeren. Karel volgde Carls route uit 1732 en realiseerde zich daar dat Carl toen al, ruim voor de publicatie van zijn Flora Botanica, gefascineerd was door het opengaan en sluiten der bloemen. En niet alleen dat: hij vond een geestverwant in Carl, in zijn objectieve observaties waarin hij geen onderscheid maakte tussen de planten, de rotsen, de dieren en mensen die hij tegenkwam. Alles was als vanzelfsprekend onderdeel van dezelfde natuur die hij in kaart moest brengen. Sinds die reis was voor Karel het idee van een klok bestaande uit bloemen die elk op een ander tijdstip open gaan, een onweerstaanbaar idee geweest. Onweerstaanbaar, maar ook vrijwel onuitvoerbaar.

Zijn studie had Karel niet meer afgemaakt sinds zijn reis door Lapland. Dankzij connecties van zijn docent Botanie, kreeg hij als 22-jarige een betaalde betrekking als hovenier bij barones Van Malva Tyler. Zij kende honderden wilde planten en bloemen uit haar hoofd en koesterde zeldzame soorten op haar landgoed. De 48 jaar die hij hier vervolgens doorbracht vormden voor hem zijn eigen Lapland-reis waarin de planten, de bomen, de zon, de barones en zij die zich alleen lieten zien gedurende zijn wandelingen tijdens het wolfsuur, voor hem allemaal even nauwkeurig moesten worden beschouwd en vastgelegd. Het idee van het Horlogium florae, de bloemenklok, heeft hij in al die jaren voorzichtig uitgewerkt. Het idee is eenvoudig: vanaf het eerste ochtendgloren openen de bloemen zich één voor één. Bij elk uur zoek je een bloem die dan open is. Na het middaguur, als de zon zijn hoogste stand heeft bereikt, beginnen de bloemen zich weer te sluiten, soort voor soort.  Een eenvoudig idee, waarvan de uitvoering verre van simpel is. In tegenstelling tot wat veel tuinliefhebbers lijken te denken, gaat het niet om de stand van de zon alleen. Uit Carls aantekeningen leidde Karel af dat sommige bloemen en bloeiende planten en bomen reageren op het weer, anderen op daglengte, of, om precies te zijn, op nachtlengte en anderen inderdaad op de stand van de zon. De moeilijkste zijn de aequinoctales, de planten die precies op een bepaald tijdstip open- of dichtgaan, ongeacht de omstandigheden. In Zweden zijn het licht en de daglengte anders dan in Italië of Engeland, waardoor een bloemenklok helemaal ontworpen moet zijn op de locatie. Lengte- én breedtegraad bepalen samen hoe lang de dag duurt en hoe laat de zon op komt. Die combinatie is uniek voor elke plek, zelfs voor elke tuin. Deze tuin van de barones kent Karel als geen ander. Hij weet waar zon is, waar schaduw, hij heeft jaar in jaar uit de tijden genoteerd van zonsopgang en zonsondergang, de lengte van de schaduwen. Hij weet inmiddels dat de paarse Damastbloem zich van mei tot juni ’s avonds om dezelfde tijd sluit als de IJslandse papaver van juni tot augustus. Die laatste, die zich in veel kleuren voordoet, maar altijd een groot geel hart aan de wereld toont, kan in Karels versie van de klok in midzomer de dienst overnemen van de Damastbloem wanneer die zijn diepe paars verliest.

Toen Karel begon aan de bloemenklok op het landgoed wilde hij het aanvankelijk stiekem doen. Voorzichtig aan, elk jaar een stapje verder zou hij het Horlogium opzetten om dan op een dag de barones te verrassen. Hij hoefde maar zijn aantekeningenschriften erbij te pakken, ze te ordenen en te analyseren en aan het werk te gaan. Hij zou dan alles wat hij op schrift en in zijn hoofd had verzameld, gestructureerd in de praktijk brengen. Hij had alleen niet gerekend op de barones die meer belezen en nieuwsgierig bleek dan gedacht. Ze ging de werkbesprekingen over de tuinen bijwonen en leek te voelen dat hij iets in zijn schild voerde. Uiteindelijk sprak ze haar vermoeden uit tijdens een van hun ontmoetingen in de vroege ochtendstilte.
‘Karel, ben je een Horlogium Florae aan het uitbroeden?’ Ze zei het op de haar bekende geïnteresseerde en tegelijk strenge toon. De toon van iemand die gewend is de lakens uit te delen, maar ook haar personeel met respect en gelijkwaardigheid behandelt. Karel had alleen geglimlacht. Op dat moment was de man, de schim van de Karel zo bekende figuur in de tuin, verschenen op de plek waar hij later de laatste schakel van het natuuruurwerk zou aantreffen. Toen had hij voor het eerst heel sterk de rust en aanmoediging gevoeld van de man in de wijde jas zonder zomen. ‘Het is goed’ leek hij te bedoelen en dat waren daarna ook de woorden van de barones geweest:
‘Het is goed, Karel. Ik zal helpen waar ik kan.’ Haar ogen hadden geglansd in het eerste licht van de ochtend. ‘Het zou alles in mijn leven compleet maken.’

Decennia had hij er sinds dat moment aan gewerkt, waarvan Karel de laatste twaalf jaar had besteed aan een zoektocht naar de ontbrekende schakel: een aequinoctale dat in midzomer opengaat vlak voordat de zon opkomt, nog vóór het ochtendgloren. Niet de morgenster, niet de witte tere bloemen van de haagwinde noch de Cicerbita alpina, of alpensla, moest het zijn, maar een bloem nóg vroeger, zodat de klok helemaal rond zou zijn, zodat ook de slapelozen de tijd zou kunnen aflezen aan zijn natuurhorloge. Het bracht hem, na decennia voornamelijk op het landgoed te hebben doorgebracht, in alle uithoeken van het continent. Van de oerbossen van Białowieża via de Alpen naar de barre droogtes van de Spaanse Extremadura. De zoektocht had hem uiteindelijk niet de bloem opgeleverd die hij zocht, maar wel enorm veel afleiding. Schetsboeken vol afbeeldingen van bijna uitgestorven roofvogels en wisenten, van de structuur van de bast van de kurkeik en van bloemen die hij nooit eerder had gezien en bij terugkomst wilden nazoeken. Uiteindelijk was de bloem, de perfecte bloem, opgedoken op de plek waar de man, de schim in de tuin, hem al op had gewezen, na terugkeer van zijn tochten. Hij had het kunnen weten. Zo is de natuur. Bloemen en planten groeien waar ze horen, waar ze willen zijn en waar alle omstandigheden perfect zijn. Had hij niet al heel erg lang de optimale plek voor de bloem gecreëerd? Het stond al die tijd al heel dichtbij te wachten om gevonden te worden. Het werd Karels pièce de résistance, want het bloemetje bleek nog niet eerder geïdentificeerd. Calendula Lindemania werd het gedoopt, een eerbetoon aan Karel Lindeman, al sprak die liever liefkozend over zijn Wolfswijzertje, vanwege het bijzonder vroege uur waarop het zich opent. Het bloempje heeft een doorzichtig blauwe kleur, niet zo flets als die van de cichorei, maar eerder richting die van de ereprijs. Bloemen 9-bladig per drie groeiend aan één steeltje, blaadjes concaaf en blauw als de kleur van de ogen van een wolvenpup, witte ronde vruchtlichamen plat aan de bovenkant, laagblijvend, aardbeiachtig blad. Zo omschreef Karel het na de allereerste bestudering. De jaren daarna bracht hij het bloempje in kaart op de vindplaats en bracht het over naar de bloemenklok. Het Wolfswijzertje heeft hem de jaren daarna nooit teleurgesteld en zich altijd, zonder uitzondering, geopend om exact vier uur in de ochtend, de start van het wolfsuur, dat de ene nacht een vol uur duurt en naarmate de kortste dag nadert steeds meer haast krijgt. Toen hij vorig jaar zijn resultaten presenteerde, eerst aan de barones en daarna aan de Academie van Wetenschappen, was het enthousiasme groot. Deze zomer, morgen om precies te zijn, wordt de klok aan de buitenwereld getoond. Met een bescheiden tuinfeest weliswaar, maar de toeloop daarna zal ongetwijfeld groot zijn.

De zon komt op nu. De alpensla, het violetblauwe achterneefje van de cichorei, zal zich gaan openen en als de zon boven de beukenhaag uitkomt zal de daglelie de tijd aan gaan geven. Karel is expres later gekomen om het openen van de Calendula Lindemania niet te hoeven meemaken. Het zal zijn werk wel gedaan hebben. Of zal het gehaperd hebben om iedereen aan het schrikken te brengen? Is ook de natuur gevoelig voor de druk van prestatie en zou het Wolfswijzertje de druk hebben willen pareren door dicht of misschien halfdicht te blijven? Maar net als bij een slechte generale repetitie in de concertzaal zou het in zo’n geval vast een voorbode zijn geweest voor een grootse vertoning op de grote dag.

Het is niet meer belangrijk. Karel heeft zijn levenswerk volbracht, de natuur heeft zich gewoon gedragen als altijd. Zeventig jaar werd hij de afgelopen winter. Een mooie leeftijd om er mee te stoppen, om alles achter zich te laten en te gaan genieten van de bescheiden roem en het aanzien die zullen volgen. Hij heeft zijn plan de laatste weken goed doordacht. Hij zal de ochtend voor het grote gebeuren verdwijnen. Niet zodanig dat iemand zich zorgen hoeft te maken, maar gewoon afscheid met een klein briefje aan de barones waarin hij aangeeft dat zijn werk erop zit en dat hij haar zeer dankbaar is voor alle kansen die ze hem heeft gegeven. Hij zal zich terugtrekken op een plek dichtbij de natuur en zijn aantekeningen uitwerken tot iets publiceerbaars. Misschien ontdekt hij nog een nieuwe soort, ontwikkelt hij nieuwe inzichten tijdens de wandelingen op zijn oude dag.

De zon piept al halverwege door de beukenhaag. Een enkele straal licht zoekt zijn weg al naar de daglelie. Karel had zich willen omdraaien nu en zijn voltooide werk achter zich willen laten, maar hij kan niet anders dan toch even kijken hoe het wolfswijzertje  erbij staat. Nog één keer een blik werpen op dit zeldzame teerblauwe bloempje met wit hartje dat zijn naam draagt en zich al in de nacht aan de wereld toont. Het bloempje waarvan op dit moment nog alleen hij en de barones de vindplaats kennen en die binnenkort niet meer van hen alleen zal zijn, maar van tuinliefhebbers, botanisten en dagjesmensen.

En dan ziet hij het. Op de plek in de cirkel waar je de vier verwacht is de aarde zichtbaar. Met een schok beent Karel naar de bloemenzee in het perk. De Calendula Lindemania is verdwenen. De wortels van de plantjes staan nog vast in de grond, maar de bloemen zijn eraf. Botweg weggerukt van hun tere steeltjes en allen, werkelijk allemaal verdwenen. Ook de bloemen eromheen zijn weg, zoals het grootste deel van de gele morgenster. Op zijn knieën bestudeert Karel het tafereel terwijl hij bedenkt hoe hij het de barones uit zal moeten leggen. Het is niet zo moeilijk te raden wat hier gebeurd is. Oryctolagus cuniculus, ofwel het konijn, is hier aan het werk geweest. Het is niet de eerste keer dat die zich tegoed doet aan het wolfswijzertje. Ha, de grillen der natuur! Karel kan niet anders dan glimlachen. Als hij hier om vier uur was geweest, had de mannenschim zeker ook geglimlacht. Ze hadden dan samen opgelucht kunnen lachen of zich voor het hoofd kunnen slaan. Ja, vooral dat, want de natuur is er immers om te bewonderen, te koesteren, niet om te commanderen. Het Horlogium florae was een gedachteoefening, een waanzinnig aantrekkelijk idee, maar hoe had Carl, hoe had Karel, kunnen denken dat je bloemen kunt isoleren van de rest van de natuur. Als het konijn niet zijn slag had geslagen, waren het de dagjesmensen geweest die de bloem zouden wegplukken, of had een verwoestende regenbui al zijn werk teniet kunnen doen. Ze hadden iets over het hoofd gezien, iets heel basaals! O, lief konijntje, je bent een zegen voor de natuur en voor dit landgoed.

Karel sjort zijn rugzak vast, zet zijn pacific hoed op en werpt een laatste blik op het Horlogium. De zon staat nu net boven de beukenhaag en Karel voelt de eerste warmte door zijn overhemd dringen. Arme barones, denkt hij. Ze zal het misschien niet begrijpen en denken dat hij is gevlucht voor een afgang, maar het is beter om nu te gaan en geen tekst en uitleg meer te geven. ‘Het is goed zo,’ zal ze denken als ze binnen enkele jaren misschien haar laatste adem uitblaast en uitkijkt op haar vredige landgoed. Karel draait zich om. Met zekere passen en zonder om te kijken loopt hij via het grote hek het landgoed af.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *